De Limburgse vlaai wordt vaak vergeleken met een taart, maar er bestaan toch duidelijke verschillen tussen beide delicatessen. Limburgse vlaai bestaat uit een platte vlaaibodem van deeg (meestal met een doorsnede van 27 tot 30 centimeter), met opstaande randen. De vlaai wordt vervolgens gevuld met een vulling, zoals abrikozen, kersen, appel, boter, kruisbessen, zwarte pruimen of rijst die de Limburgse vlaai overheerlijk maken. De Limburgse vlaai wordt in zijn geheel gebakken. Dit in tegenstelling tot moderne varianten, zoals bavaroise die deze titel dan ook niet mogen dragen.

Vlaai is in het mooie Limburg al eeuwenlang een populaire lekkernij, en is dan ook niet meer weg te denken op een verjaardag, kermis of andere gelegenheid waar iets te vieren valt. De geschiedenis van deze Limburgse lekkernij voert terug tot het tijdperk van de Germanen. Zij zouden hun brood gebakken hebben door deeg op een in het vuur verhitte steen te leggen. Het baksel werd met honing of vruchtensap overgoten om het 'smakelijker' te maken. De oervlaai of 'vlade' was geboren.
Op eerste paasdag werden de vlaaien overal in Limburg door de priester gewijd. Vlaaien werden en worden nog steeds vooral gegeten bij feestelijke gelegenheden, na de Hoogmis, de processie of een goede maaltijd. Vroeger werden de vlaaien gebakken in het 'bakkes' of 'bakhoes', een gemetselde oven die losstond van de woning en met 'takkenbossen' handmatig opgestookt.
Waarom alleen de Limburgers vlaaien gingen maken en de andere Nederlanders niet, zal altijd wel een raadsel blijven. Gelukkig kunt u in Limburg nog steeds volop genieten van dit traditionele streekproduct!